Hoe kantel je een wereldbeeld?

In het verhaal van de markt schreef ik over de grondlegger van de economische wetenschap, Adam Smith. Isaac Newton gaf de natuurkunde zijn fundering door via het beeld van een kosmisch uurwerk uit te leggen dat de natuur wetten kent. Smith vond een passende vergelijking in de vorm van de “Hand van God”. De onzichtbare hand die de markt ook zonder staatsbemoeienis reguleert.

Maar wacht eens even: wetenschappers gebruiken toch objectieve argumenten? Ze werken toch volgens rationele methoden en hanteren strikte regels voor bewijs?

Wetenschap wordt nog altijd omgeven door dit aura van onbetwistbare feiten, die via rationele methoden tot stand zijn gekomen. Die gedachte staat echter ter discussie. Ik ga niet vaststellen wanneer precies de twijfel toesloeg. Rond het midden van de jaren 1970 verscheen een boek dat veel stof deed opwaaien. Laten we daar beginnen.

Against Method

In 1975 verscheen ‘Against Method’ van wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend. Het essay was bedoeld als helft van een tweeluik over het rationalisme in de wetenschap. Feyerabend zou het rationalisme met de grond gelijk maken. Collega Imre Lakatos zou vervolgens gehakt maken van de stellingen van Against Method. Lakatos overleed helaas, zodat het geplande antwoord uitbleef.

Against Method is bedoeld om te bewijzen dat wetenschap in essentie een anarchistische onderneming zou moeten zijn. Alleen het principe anything goes vormt geen obstakel voor vooruitgang. In de eerste vijf hoofdstukken onderbouwt Feyerabend deze uitgangspunten filosofisch.

Het boek behandelt vervolgens een minutieuze reconstructie van de manier waarop Galileo erin slaagde het denkbeeld dat de aarde om de zon draait te vestigen. De gedachte was al in 1543 verwoord door Copernicus. Het werd echter lange tijd beschouwd als een uitsluitend wiskundig model. Galileo maakte er een feit van.

De aarde beweegt

Om daarin te slagen moest Galileo bewijzen dat de aarde bewoog. Dat werd al door Aristoteles afgedaan met het volgende argument: als de aarde zou bewegen en je een steen vanaf een hoge plek naar beneden zou gooien, zou die steen nooit lijnrecht naar beneden kunnen vallen. Want de aarde heeft intussen bewogen. Iedereen kan zien dat de steen wel recht naar beneden valt. Dus de aarde beweegt niet. Het bewijs voor een statische planeet is zo empirisch geleverd: iedereen kan dit experiment nadoen.

Galileo stelde dit argument niet ter discussie. Hij maakte er juist gebruik van door er een gedachtenexperiment tegenover te stellen. Stel je hebt twee mannen die een bal overgooien in de hut op een schip aan de kade. Hebben die mannen dan meer (of minder, naargelang hun positie) kracht nodig bij het overgooien als de boot vaart? Ook hiervan kon iedere lezer zich een voorstelling maken.

Met dit voorbeeld wordt duidelijk dat je hetzelfde feit verschillend kunt interpreteren. Daarmee heeft voor Feyerabend het idee dat je iets kunt bewijzen door verificatie van de feiten afgedaan.

Falsificatie

De invloedrijke filosoof Karl Popper onderkende deze bezwaren tegen verificationisme: het nagaan van de feiten als middel om een theorie te bewijzen. Volgens hem zou je een nieuwe wetenschappelijke theorie alleen mogen accepteren als deze méér verklaart dan een bestaande. De nieuwe theorie moet bovendien voorspellingen doen die ontkracht kunnen worden: falsificatie.

De dynamica theorie van Copernicus verklaart echter minder feiten dan die van Aristoteles. Het ging bij Copernicus alleen om een theorie inzake de beweging van materie, aldus Feyerabend. Terwijl de dynamica van Aristoteles veel meer omvatte. Bovendien erkende Copernicus destijds al dat er haken en ogen zaten aan zijn theorie. Daaronder de relatieve grootte van Mars en Venus, waarvan men met het blote oog kon zien dat ze lang niet zo groot waren als Copernicus voorspelde. Met andere woorden: de theorie van Copernicus is gefalsifieerd ten gunste van de Ptolemaïsche visie. Zodat ook Popper’s falsificatie-eis in deze situatie niet voldeed om te verklaren hoe de betere theorie tot stand kwam.

Telescoop

Feyerabend stelt vast dat Galileo zich bewust was van deze problemen. Maar in plaats van Copernicus’ theorie te verwerpen prees hij Copernicus voor het negeren van deze bewijzen. Galileo’s alternatief was dat hij met een nieuw bewijs kwam. Hij toonde namelijk aan dat de helderheid van Mars wel klopt met de voorspelling van Copernicus.

Galileos_Moon

Galileo’s tekening van de maan. Ernaast een foto.

Dat wil zeggen: mits je kijkt door een telescoop. De net uitgevonden telescopen in die tijd werden echter ook door de betrokken gebruikers gezien als onnauwkeurig. Lenzen waren niet gecalibreerd. Op aarde zie je verre objecten door een telescoop van dichterbij. Maar niemand had een goed kader voor het waarnemen van objecten in de ruimte. Galileo moest dus bewijzen dat de telescoop superieur was voor de observatie van de hemel. Feyerabend toont aan dat Galileo niet, zoals hij beweert, gebruik maakte van de theorie van Kepler over hoe licht werkt. En zijn bewering dat hij honderden observaties gedaan zou hebben wordt al evenmin ondersteund door feiten. De beroemde Italiaanse astronoom betoont zich volgens Feyerabend vooral een goede marketeer.

Galileo maakte zich dus schuldig aan selectieve behandeling van de feiten. Om zijn gelijk te halen introduceert hij een destijds omstreden methode van metingen verrichten. Een laatste belangrijke reden voor het uiteindelijke succes van Galileo was ten slotte het feit dat hij een groter publiek van invloedrijke lezers bereikte door in het Italiaans te schrijven. In plaats van het onder wetenschappers gebruikelijke Latijn, aldus Feyerabend.

Mythe en wetenschap

Na deze zeer gedetailleerde uiteenzetting komt Feyerabend tot zijn conclusie: ‘anything goes’. Het wetenschappelijke bedrijf kent geen superieure methoden. Rationaliteit, zoals wetenschapsfilosofen die verdedigen, is geen superieure vorm van kennis.

In het slot van zijn boek gaan vervolgens in hoog tempo alle remmen los. Wetenschap is veel meer gelijk aan mythologie dan we bereid zijn om toe te geven. En zeker niet superieur aan andere vormen van kennis en kunde. Hij citeert met instemming dat sinds in China de acupunctuur weer is toegestaan de medische wetenschap daar op een hoger plan is gekomen. Hij haalt verbeten uit naar de uitroeiing van de kennis en kunde van heksen.

Hij neemt stelling voor de begin jaren 1970 hevig omstreden gedachten van Velikovsky over kosmische catastrofen als de bron van onze mythen. Dit boek, ‘Worlds in Collision’, was een bestseller. Het kwam in opspraak bij sterrenkundigen vanwege zijn beweringen over het gedrag van de planeten. Maar ook bij oudheidkundigen over zijn bewijzen van de uitspraken over mythen en de door hem herziene geschiedenis van Egyptische dynastieën.

We moeten, stelt Feyerabend, anarchistisch worden in onze kennisleer. Zoals we de scheiding van kerk en staat wenselijk vinden, zouden we ook wetenschap en staat moeten scheiden. Hij bepleit ook de scheiding van school en wetenschap.

Scholen moeten zich gaan richten op het onderwijzen van algemene kennis. Wetenschap doet dan mee als één van de onderdelen van het curriculum. Iedere betrokkene (ouders, leerlingen, leraren) zou moeten meebeslissen over welke lesmethoden gevolgd worden. En ook over de waarheid van fundamentele overtuigingen als de evolutieleer of quantumtheorie. De Bigshots die zich verstoppen achter niet bestaande methodologie hebben geen alleenrecht op waarheid.

Het staat er echt: op de laatste bladzijde van zijn boek spreekt een professor in de wetenschapsfilosofie zich uit voor een referendum over de evolutieleer! Of is het een overmoedig geworden filosoof die iets te veel heeft overgenomen van de retorische kracht van zijn grote voorbeeld?

Against Method verscheen in 2008 bij Lemniscaat in een Nederlandse vertaling met als titel Tegen de Methode.

Voor een behandeling van Feyerabends boek als voorbeeld van een Reductio ad Absurdum zie: http://www.galilean-library.org/site/index.php/page/index.html/_/essays/philosophyofscience/anything-goes-feyerabend-and-method-r76

Voorwaarden voor zelfredzaamheid

In 2015 is de participatiewet een feit. Een breed scala aan mensen die hulp nodig hebben, krijgen straks te maken met hun gemeente. Die wordt namelijk verantwoordelijk voor de aanpak van de problemen, waar je als hulpvrager mee te maken hebt.

De vertegenwoordiger van de gemeente neemt straks, zo wil het verhaal, plaats aan de keukentafel voor een gesprek. Er hangt veel af van dat gesprek. Het kan er bijvoorbeeld toe leiden dat je je familie, je vrienden en kennissen of je buren gaat benaderen om je te helpen. De centrale vraag van het gesprek is: hoe groot is je zelfredzaamheid? Wat is dat eigenlijk, zelfredzaamheid?

Eigen Kracht

Of je jezelf kunt redden lijkt onder meer af te hangen van welke hulp je nodig hebt. Je vraagt immers aan de overheid om je te ondersteunen? In het gesprek wordt je hulpvraag vastgesteld. Dan wordt bekeken wat er nodig is om zo zelfstandig mogelijk te kunnen blijven. Je bespreekt wat je zelf aan hulp kunt regelen, bijvoorbeeld via je ‘netwerk’ .De overheid zorgt voor datgene wat nog ontbreekt om zelfstandig te kunnen leven. Een synoniem voor zelfredzaamheid is dan ook ‘eigen kracht’.

Het komt me voor dat dergelijke gesprekken een enorm beroep moeten doen op de empathische vermogens van de vertegenwoordiger van de overheid. Want is de aanpak verkeerd, dan roep je al in het eerste contact wantrouwen (en calculerend gedrag) op.

Politie en zelfredzaamheid

Het woord dat mij meteen aan het denken zette was zelfredzaamheid. Dat komt, ik ken het uit een heel andere context. Namelijk als een werkhouding voor handhavers. De in 1986 opgerichte Stichting Maatschappij en Politie (SMP) introduceerde in 1990 het project Sociale Zelfredzaamheid.

Een van de boeken die in de SMP reeks ‘Samen werken aan veiligheid’ verscheen was van de hand van de eigenzinnige Amsterdamse politiepsycholoog Frans Denkers, ‘Op eigen kracht Onveiligheid de baas’ (1993).

Denkers heeft als inspiratiebronnen de radicale humanist Ivan Illich en kritische criminologen als Louk Hulsman en Nils Christie, voorstanders van een zo klein mogelijk strafrecht. Hij wilde ooit dominee worden, maar belandde als psycholoog bij de Amsterdamse politie. Zelfredzaamheid was het onderwerp van het restje dominee in hem. Hij was zeer beslist inzake het gebruiken van, wat hij noemde, extensions. Hulpmiddelen die je gebruikt omdat ze handig lijken, maar die je voor je het weet altijd nodig denkt te hebben. Tot je niet meer zonder kunt.

Hij bleef vriendelijk, maar overtuigd, hameren op dat iedere Nederlander zelfredzaamheid vaak al betracht. Wie denkt het alleen met hulp van instituties te redden onderschat zichzelf. Een van de manieren om jezelf te blijven redden is door te blijven oefenen wat je zonder hulpstukken bereikt.Mensen realiseren zich vaak niet wat ze allemaal kunnen, maar vooral niet wat ze zonder het te weten al doen. Hij noemt talloze voorbeelden van de al te menselijke neiging om terug te vallen op krukken, terwijl je ook kunt lopen.

Hulpstukken

Iedere keer als ik een kaart gebruik of op de fiets onderweg één van die handige knooppuntkaarten bekijk moet ik aan hem denken. Ik weet niet of je het kent, maar ik heb in vakantietijd weleens in de rij gestaan bij zo’n knooppuntenkaart. Soms in bijna vijandige stilte, want iedereen moet op de beurt wachten. De meer plezierige ervaringen ontstaan als de situatie benut wordt voor een gesprek over de omgeving.

Je neemt een hulpstuk als een fietskaart mee, zodat je niet kunt verdwalen. Maar zeker als je je daar hardnekkig aan vastklampt, mis je een kans. Want je kunt ook naar de weg vragen. Als je iemand de weg vraagt, maak je die persoon in het algemeen blij. Want we vinden het prettig om iemand geholpen te hebben.

Vaak behandelen mensen de politie als zo’n hulpstuk. En aangezien dienstbaarheid en het denken in oplossingen behoren tot de kerncompententies van een agent wordt de dienst verleend en de oplossing verschaft. Volgens Denkers is die beroepsdeformatie niet altijd helpend. Zo wordt bij een simpele botsing al snel de politie ingeschakeld. Terwijl je zou moeten beginnen met samen de verzekeringspapieren erbij te pakken en de kwestie onderling oplossen.

Dit klinkt herkenbaar voor wat ons te wachten staat, nietwaar?

De Keukentafel

Denkers’ boek bevat naast talrijke van dit soort voorbeelden enkele nuttige tips voor het gesprek aan de keukentafel. Dat begint bij wat zelfredzaamheid in het kader van veiligheid volgens hem niet is. Het is geen buurtpreventie. Want dan treden burgers op als verlengstuk van de politie.

Het is ook geen verschuiving van verantwoordelijkheden van de overheid naar het maatschappelijk middenveld. Buurtbeheer is in zijn ogen prachtig, maar voor je het weet nemen deskundigen het roer over. Die gaan dan hun eigen netwerk starten teneinde ervaringen en best practices uit te wisselen. Voor je het weet gaat dat een eigen leven leiden.

Dan gaan de “deskundigen zichzelf zien als de exclusieve bezitters en ontwikkelaars van de goede ideeën, wier enige probleem het nog is om die top-down ingang te doen vinden bij het weerbarstige of domme volk. Maar zo wordt natuurlijk geen samenleving gemobiliseerd. Daarvoor moet je de overmoedige gedachte loslaten dat jij alle wijsheid in pacht hebt. Moet je zien dat die samenleving in een groot aantal opzichten al gemobiliseerd is -door zichzelf- en daarop inhaken. En voor zover niet, laat je haar iedere keer juist wel opnieuw het wiel uitvinden. Want daarin schuilt nu net de kracht. ” (pagina 10).

Ik stel me voor dat deze preek een uitgangspunt kan zijn bij het beoordelen van het maatschappelijk experiment. Maar er zijn er meer nodig om goed zicht te krijgen op deze omvangrijke verandering.

In de volgende blog de rol van emoties bij dit – namelijk ook delicate – onderwerp.

De SMP is in een breder verband opgegaan:www.maatschappijveiligheid.nl https://smvpsite.wordpress.com/

Geld als schuld en het verhaal van de markt

Schuld, de eerste 5000 jaar van David Graeber ontkracht twee kerngedachten die onze samenleving mede gemaakt hebben tot wat die is. De ene is dat geld is ontstaan uit een oersituatie waarin we ruilhandel bedreven. De andere is dat er een tegenstelling is tussen staat en markt.
Volgens Graeber zijn de vroegste markten gecreëerd door heersers. En geld is geen ruilmiddel, maar krediet: een manier om verplichtingen te meten.

Geld: geen ruilmiddel maar krediet

Geld zou zijn ontstaan als een handigere manier om ruilhandel te bedrijven. We hadden er genoeg van dat terwijl jij net een paar schoenen hebt gemaakt, de wortels waar je ze voor zou willen ruilen nog niet geoogst konden worden. Zo ongeveer staat het in de economiehandboeken. Geld is een ruilmiddel. Je kunt ermee betalen, in plaats van ‘voor wat hoort wat’. En via de markt vraag en aanbod is het een middel om prijzen van spullen te bepalen.
De antropoloog Graeber beweert echter stellig dat die oersituatie van ruilhandel nooit heeft bestaan. Hij leunt in zijn geschiedenis zwaar op een andere functie van geld: geld is (verhandelbaar) krediet. Contant (munt)geld is ontstaan als middel om loon van een staand leger te betalen door belastingen te innen.
Graeber stelt dat de meest geciteerde vormen van ‘primitief geld’ (vee, schelpen, wampuns) in de praktijk nooit zijn gebruikt voor het handelen in alledaagse gebruiksvoorwerpen als schoenen en mortels. Wel in rituele situaties, zoals bij een huwelijk, het beslechten van conflicten, het compenseren van gedode soldaten na afloop van een conflict. Dan is het een methode om schuld vast te stellen.
Voor zover je kunt spreken van ruilhandel is dat iets wat plaatsvindt tussen gemeenschappen. Binnen het dagelijks leven in een gemeenschap spelen behoeften. De leden van een gemeenschap hebben wel een beeld van de I Owe You’s, maar hoe daaraan wordt voldaan verschilt van gemeenschap tot gemeenschap.

De hand van God

Het voorbeeld van de ruilhandel komt uit het beroemde boek van Adam Smith, de grondlegger van de economie als wetenschap. In The Wealth of Nations wordt ook ons huidige beeld van de markt voor het eerst beschreven. Volgens Graeber borduurde Smith bij zijn gedachtegang voort op het succes van Isaac Newton. Newton gebruikte het beeld van God als kosmische klokkenmaker om de studie van de fysica zijn rationele grondslag te geven. Smith wilde de studie van de economie eenzelfde fundering geven. Hij had behoefte aan een soortgelijk beeld. Zijn ‘onzichtbare hand’ die de markt reguleert is de hand van God.
Het onzichtbare deed voor Smith ook dienst als argument. De mercantilisten bepleitten destijds een grote rol voor de staat in de handel. Vooral door export te bevorderen en import te beperken. Het zo bereikte handelsoverschot bevordert de stabiliteit van de natie.
Smith reduceerde de rol van de staat tot het bewaken van de veiligheid van de deelnemers aan een markt. Als deelname veilig is, waaronder hij ook bescherming tegen monopolisten en aanvallende buurstaten verstond, zal het prijsmechanisme zijn onzichtbare werk doen.

Soldij als oorsprong van geld

Als Smith gelijk had, is geld ontstaan uit goud en zilver via het marktmechanisme. Dus buiten de bemoeienis van heersers om. Maar waarom, vraagt Graeber, deden heersers dan zoveel moeite om belastingen te heffen? Waarom legden ze dan niet eenvoudig beslag op alle goud- en zilvermijnen?
In feite is dat wat ze ook deden, als die mijnen binnen hun bereik waren. Waarom, vervolgt hij, smolten ze edelmetaal om, stempelden het, deden moeite om het in omloop te brengen, om vervolgens die munten terug te vragen in de vorm van belastingen?
Die handelingen worden pas zinvol als je ze bekijkt vanuit de noodzaak om een staand leger te onderhouden. De heerser verplicht iedere onderdaan om zijn belasting te betalen in de vorm van (munt-)geld. Dat doet dienst als loon voor het leger. De onderdanen gaan aan de slag om aan muntgeld te komen. En startten daarom een handelsonderneming. De vroegste markten zijn in zijn visie dus ontstaan vanuit de behoefte van heersers om een staand leger te onderhouden.

Geld als schuld

De theorie dat geld gelijk staat aan krediet, waarbij de staat de rol heeft van bewaker van de kredietafspraken, staat in de economie bekend als chartalisme. Graeber staat uitvoerig en kritisch stil bij het denken van moderne staat-krediet theoretici.
Sommigen van hen beschrijven een historische ontwikkeling die Graeber duidt als alternatieve mythe voor die van de ruilhandel. Die mythe begint bij een oerschuld die via religieuze offers kon worden voldaan. Heersers namen de rol van de priesterkaste over en wijzigden het offer in belastingen. In ruil voor die belastingen werd veiligheid gegarandeerd. Nogal kort door de bocht: dat stelsel groeide uit tot de huidige verzorgingsstaat.
Deze mythe is de andere kant van dezelfde munt, stelt Graeber. In beide verhalen speelt schuld de hoofdrol. Hij onderschrijft de gedachte dat de functie van kredietmaatstaf historisch gezien aan de wieg van geld stond. Vele vormen van ‘primitief” geld, zoals vee, kerfstokken en de enorme ronde stenen op het eiland Yap functioneren als middel om verplichtingen bij te houden. Ze circuleerden niet als ruilmiddel voor dagelijkse behoeften. Het is de boekhouding van verplichtingen in de vorm van het afkopen van bloedwraak, het vaststellen van een bruidsschat, het betalen van schatting of belasting. Het is een virtueel kredietsysteem.
Graeber beschrijft in zijn geschiedenis een afwisseling van periodes waarin geld als ruilmiddel een hoofdrol speelt met periodes waarin ‘virtuele kredietsystemen’ het belangrijkste middel zijn voor het afwikkelen van verplichtingen. De laatste periode van virtueel krediet was in de Middeleeuwen. Al stelt hij ook dat sinds de Amerikaanse president Nixon in de jaren 1970 de goudstandaard verliet voor het huidige systeem van zwevende wisselkoersen, geld weer virtueel is geworden.
Periodes waarin virtueel kredietsystemen gebruikt worden kenmerken zich door het oprichten van instituties die schuldenaren beschermden. Ideaaltypisch is het leidende principe: iedereen draagt bij naar vermogen én krijgt naar behoefte.
Periodes waarin geld domineerde worden daarentegen gekenmerkt door de eis van wederkerigheid: schulden moeten worden afbetaald. Dat wil zeggen: met uitzondering van die instanties die de macht hebben om geld te scheppen: banken met als ruggensteun de staat.
Het is volgens Graeber pas sinds de commerciële revolutie van de 15e en 17e eeuw dat we zijn begonnen met het gebruik van ‘dank je wel’ en ‘alsjeblieft’ als we iets krijgen of vragen. Ook als iemand ongevraagd plaatsmaakt in de bus, of als je aan tafel vraagt om het zout door te geven. Het is de taal van de ruil en van het verschuldigd zijn, die hier ook in de sociale sfeer is doorgedrongen. De markt is zover verinnerlijkt, dat deze taal vanzelfsprekend is geworden.

De keukentafel

En daarmee kom ik aan een kwestie die in het hier en nu plaatsvindt: de discussie over de participatiemaatschappij. Straks komt immers, als je hulp nodig hebt, een vertegenwoordiger van het lokale bestuur bij je langs voor een gesprek. Dan wordt bekeken wat je zelf op eigen kracht kunt regelen. Wat je zelf niet kunt regelen wordt geregeld door de overheid. Het gesprek wordt gevoerd aan de keukentafel, zo heb ik begrepen.
Doel is een nieuwe balans tussen zelfredzaamheid versus hulp via de overheid. Met in het achterhoofd het relaas van Graeber over schuld als diep verankerde denktrant kan het niet anders of dit roept bij hulpzoekers een sterk gevoel van in het krijt staan op. Er dient zich een kanteling aan die in dit licht een zeer sterke morele lading heeft. Temeer omdat die nieuwe verplichtingen in de eerste plaats een nieuwe markt creëren voor wie de hulp wel kan betalen. Hoe haal je die lont uit het kruitvat?

Oorlog om de gunst van de muziekconsument

Ook mijn inmiddels 35 jaar oude versterker heeft een Loudness knop

Het lijkt zo simpel. Verschillende MP3 bestanden afspelen op hetzelfde geluidsniveau. Ik heb een vrij omvangrijke verzameling muziek. Met deze wens in het achterhoofd zocht ik een manier om via software alle MP3’s even hard te laten klinken. Zonder dat de oorspronkelijke bestanden definitief veranderden.

Een korte zoektocht leerde dat de toepassing die ik zocht ‘replay gain’ heette. Of Soundcheck, voor ITunes gebruikers. De meeste software voor het afspelen van muziek op de computer kent deze techniek. Vaak staat de optie standaard aan. Dat werkt best aardig. Desondanks leverde het voor mij soms toch storende verschillen in geluidsniveau op.

Zo simpel als ik dacht is het dus niet. Sterker nog, ik ben inmiddels terug bij de simpelste oplossing: de volumeknop gebruiken.

Mijn zoektocht leverde echter wel iets heel anders op. Zonder dat ik wist bleek er al meer dan tien jaar een oorlog gaande. Een oorlog in de wereld van de muziekproductie. De Engelse Wikipedia geeft een goed overzicht, trefwoord Loudness War.

Er is zelfs een vredesbeweging opgericht. Met bij wijze van tegengeluid de jaarlijkse Dynamic Range Day, voor het laatst gehouden op 28 maart 2014.

Wat is er aan de hand? Simpel gezegd zijn de mogelijkheden van digitaal geluid vele malen groter dan die van de voorganger van de CD, de elpee. Vanaf het eind van de jaren tachtig zijn steeds meer professionals in de muziekindustrie die mogelijkheden gaan benutten om hun product te laten opvallen.

De meest gebruikte manier heet Dynamic Range Compression. De technicus maakt het verschil tussen de hardste en de zachtste passages in een song steeds kleiner. Met als gevolg dat -zoals een van de vredesapostelen Ian Shepherd opmerkt- de laatste CD van Justin Bieber luider klinkt dan Motorhead, AC/DC of de Sex Pistols.

Er is echter een grens aan deze techniek. Nadat alle dynamic range foefjes zijn benut wordt geluid zelfs vervormd. Dat wordt clipping genoemd.

Geluid bestaat uit golven. Als je de ronding van zo’n sinusgolf luider wilt maken worden de rondingen aan de uiteinden een beetje vierkant. Ik ben een beetje geschrokken mijn eigen verzameling eens nagelopen.

In de onderstaande plaatjes is clipping zichtbaar gemaakt met het nummer ‘Under the Bridge’ van de Red Hot Chili Peppers. Het bovenste is het beeld van dit nummer op de oorspronkelijke CD uit 1991. Het onderste is datzelfde nummer, maar dan van de Greatest Hits CD uit 2003. Bij beide bestanden heb ik het freeware programma Audacity zo ingesteld dat het in rood clipping weergeeft.

under the bridge

Wees dus voorzichtig met de aanschaf van geremasterde versies van muziek die je vroeger mooi vond: al klinkt het luider, het klinkt niet per definitie beter. Mogelijk wordt het geluid zelfs vervormd.

De oorlog was overigens op een ander vlak ook gaande. Het is namelijk diezelfde techniek die ervoor zorgt dat de reclameblokken op televisie harder klinken dan het programma waar je naar keek. In 2010 besloot de European Broadcast Union die oorlog te beëindigen. Zie daartoe https://tech.ebu.ch/webdav/site/tech/shared/r/r128-2014.pdf.

De beperking geldt ook voor het uitzenden van muziek op de radio. Zodat het luider masteren van CD’s om luider te klinken dan de concurrent op de radio geen zin heeft.

Het grappige is dat diezelfde richtlijn er onmiddellijk toe leidde dat softwaremakers nieuwe producten gingen aanbieden. Waar ik op mijn ‘old skool casettedeck’ nog decibelmeters had, komen er nu loudnessmeters bij. Bedrijven als Steinberg, de maker van de onder musici populaire Cubase software, hebben luidheidsbegrenzers op de markt gebracht.

Ook Spotify heeft zich aangesloten bij het vredeskamp. Dat geeft enig vertrouwen dat het geen Pyrrhusoverwinning is geweest. We leven immers in de nadagen van de CD?

De zoektocht heeft me één heel duidelijke les geleerd: de stand van zaken in de psychoacoustiek en de digitale geluidstechniek is misschien wel bepalender voor hoe muziek klinkt dan de apparatuur waarop het wordt weergegeven. Al zeg ik er meteen bij dat ik mijn dochter altijd vriendelijk verzoek om haar telefoon op de stereo-installatie aan te sluiten als ze in onze huiskamer muziek wil horen. Er zijn grenzen.

Links

http://en.wikipedia.org/wiki/Loudness_war

http://dynamicrangeday.co.uk

http://www.turnmeup.org/

http://musicmachinery.com/2009/03/23/the-loudness-war

http://www.cdmasteringservices.com/dynamicrange.htm

http://www.soundonsound.com/sos/feb14/articles/loudness-war.htm

http://mixonline.com/mixline/reierson_loudness_war_0802/